Nieuws over hersenletsel

Terug

‘Ik lag in bed en opeens kom ik een vreemde hand tegen’.

Henk Lindeman (62) kreeg op zijn 38ste een herseninfarct en herkende daarna zijn eigen lichaam niet meer.

„Ik heb misschien één keer medelijden met mezelf gehad.”

 

 

Henk Lindeman heeft een litteken in zijn hersenen, je ziet het op de scan die van zijn hoofd is gemaakt.

 

 

Een grote witte vlek, rechts achterin.

Je ziet het ook aan de manier waarop hij door het etablissement loopt waar we hebben afgesproken, op zoek naar een tafeltje.

Zijn linkerbeen blijft een beetje achter. En dan zijn linkerhand. Die trilt en schudt als hij hem in de lucht steekt. „Dat is niet tegen te houden”, zegt hij.

Dus houdt hij hem vast met zijn rechterhand. Of hij drukt hem tegen zijn lichaam.

 

Er is meer met Henk Lindeman aan de hand, maar dat zijn dingen die alleen hij merkt. „Jij zult niet doorhebben dat de omgeving hier” – hij gebaart naar de tafels om ons heen – „voor mij bijna weg is.

Die bestaat gewoon niet. Of dat het bij mij seconden langer dan normaal duurt voordat ik me een voorstelling kan maken van de route die ik straks moet nemen om bij mijn fiets te komen.”

Er zijn neurologen en neuropsychologen beroemd geworden met de beschrijvingen van mensen zoals Henk Lindeman. Oliver Sacks bijvoorbeeld, in The Man Who Mistook His Wife for a Hat. Of de Rus Alexander Luria, in The Man with a Shattered World. Wonderlijke verhalen over mensen die door een beschadiging in de hersenen – een kogel, een bloeding, een infarct – hun eigen lichaam niet meer herkennen, of de wereld alleen nog in fragmenten waarnemen en er geen geheel meer van kunnen maken.

 

Henk Lindeman (62) is geboren in IJmuiden. Hij studeerde fysische geografie in Amsterdam.

Met de neurowetenschapper Ben van Cranenburgh schreef hij het boek Hersteld maar niet genezen, uitgegeven door het Instituut voor Toegepaste Neurowetenschappen.

 

Henk Lindeman heeft dat soort dingen ook meegemaakt, en hij heeft er zélf een boek over geschreven, met de prozaïsche titel Hersteld maar niet genezen. Het is een verslag van zijn inspanningen om de beschadigingen in zijn hersenen te boven te komen en weer aan het werk te kunnen. Met daarbij uitleg en commentaar van neurowetenschapper Ben van Cranenburgh.

 

Henk Lindeman komt uit IJmuiden, zijn vader werkte bij Hoogovens, eerst op de tekenkamer, later als bouwfysicus. Zelf studeerde hij fysische geografie, werkte vier jaar op een christelijke mavo in Heemskerk en vijftien jaar op het Veldstudiecentrum in Westerbork. Werkweken organiseren voor scholieren. Vanaf zijn zesendertigste: coördinator van de nascholing van leraren aardrijkskunde bij het Algemeen Pedagogisch Studiecentrum in Amstelveen.

Jong getrouwd, drie kinderen, na veertien jaar gescheiden, opnieuw getrouwd, nog twee kinderen. Die werden geboren na wat hij eufemistisch ‘het incident’ noemt.

 

Dat incident was een herseninfarct, op zijn achtendertigste, uitzonderlijk jong. De meest waarschijnlijke oorzaak was migraine, volgens de neurologen die hem behandelden. Het komt zelden voor, maar bloedvaten kunnen daardoor zo verkrampen dat ze tijdelijk afgesloten raken. En dan sterft er hersenweefsel af.

„Ik noemde het altijd hoofdpijn”, zegt hij. „Want als ik twee Saridon slikte, kon ik gewoon doorwerken.” De middag dat het gebeurde, op de Hogeschool in Utrecht, had hij dus hoofdpijn. Hij had zijn saridonnetjes ingenomen en zat met wat collega’s te vergaderen over een projectvoorstel dat hij had ingediend. Hij schiet vol als hij vertelt wat er toen gebeurde. „Ik zit daar en ik voel me wat afwezig worden, alsof ik gedronken had. Je denkt: wat is er toch? Maar je geeft het geen naam. Daarna glijdt mijn linkerelleboog van tafel. Dat geef je ook nog geen naam. En toen” – hij knijpt in zijn linkerhand – „was het: hè, wat voelt die raar, hij is gevoelloos. Ik zeg tegen mijn collega’s: er is iets raars met me. Iemand doet het raam open. Ze zetten een kopje thee voor me neer en dat was het moment waarop zij ook zagen dat er echt iets raars met me was. Want ik pak niet het kopje dat voor me staat, maar het kopje van de buurman.” Zijn eigen kopje stond een beetje links van hem. En links, bleek later, had hij een ‘neglect’. Alles aan die kant negeerde hij.

 

De ambulance kwam en toen hij de kamer uit werd gedragen, zag hij bijna niets meer. „Of ik zag wel, maar ik wist niet wat, mijn hersenen konden het niet interpreteren. Ik bleef maar zeggen waar we waren: nu zijn we in de gang, nu in de hal, nu buiten. In de ambulance vroeg een van de broeders: nou meneer, wat denkt u dat er aan de hand is? Ik zeg: ik zie bijna niks en ik kan me niet bewegen, dus het zal wel iets met mijn hersenen zijn. Ik was doods- en doodsbang. Tot dan toe had ik altijd getwijfeld of er een hiernamaals was. Sindsdien weet ik dat ik er niet in geloof. Ik dacht alleen maar: ik ga dood. Of ik word gek.”

 

Hij werd naar het AZU gebracht, nu het UMC Utrecht, en daar lag hij een paar weken op de afdeling medium care, halfzijdig verlamd. Hij had vreemde, Oliver Sacks-achtige gewaarwordingen. „Ik lag in bed en opeens kom ik met mijn rechterhand een vreemde hand tegen. Hij voelt precies zoals de hand van mijn vader: weinig vet, beetje lang en knokig. Ik denk: dat kan niet waar zijn. Dus ik ga met mijn rechterhand langs mijn linkerarm naar boven, naar mijn schouders, tot waar ik mijn lichaam weer voel, en ik denk: zie je wel, het is gewoon mijn eigen hand, hij zit aan mij vast.”

 

Oliver Sacks beschrijft een patiënt die een vreemd been in zijn bed aantreft, harig en weerzinwekkend. Hij gooit het op de vloer en tot zijn verbazing valt hij dan zelf ook op de vloer. „Niet slim”, zegt Henk Lindeman. „Hij had kunnen voelen dat het aan hem vastzat.” Of de hersenen van die patiënt waren op zo’n manier beschadigd dat hij niet meer op het idee kwam om dat te doen – dat kan ook.

Hij wist dat hij grote moeite had om zich te oriënteren, maar daar maakte hij zich gek genoeg geen zorgen over. Zijn oudste zus wel. Zij was (ze is overleden) hoogleraar revalidatiegeneeskunde en zei dat hij zo nooit meer een normaal leven zou kunnen leiden. „Ik kon me geen beelden herinneren van waar ik geweest was en ik kon me ook geen beelden voorstellen. Ze waren er gewoon niet. En als iets er niet is, en je bent je er niet bewust van, dan is het geen probleem voor je.”

 

Dit is waar hij het hardst aan heeft moeten werken: het weer onthouden van wat hij gezien had en zich voorstellingen maken van hoe dingen eruitzagen. Zijn woonkamer. De weg naar de bakker.

In de weken en maanden na het infarct kwam een groot deel van zijn gevoel links vanzelf terug, en ook het zicht kwam grotendeels terug, soms schoksgewijs. Dan zat hij met iemand te praten en schrok hij van een plotselinge beweging in zijn ooghoek. „Doemde er iets op dat ik eerst niet zag.” In het revalidatiecentrum begreep hij opeens waarom hij de woorden op de borden niet goed kon lezen. Hij had nog vlekken voor zijn ogen en bij een blauw bord met witte letters maakten zijn hersenen daar dan vlekken in de kleur blauw van het bord van.

 

Hij „dankt de hemel” dat zijn infarct rechts zat en niet links. Met een beschadiging links had hij waarschijnlijk niet meer kunnen praten. Ben van Cranenburgh, de neurowetenschapper, beschrijft in Hersteld maar niet genezen welke gedragsveranderingen er meestal samengaan met beschadigingen links. Afasie en sociaal isolement. Slecht praten. Terughoudendheid. Zelfonderschatting. Neiging tot depressie. Catastrofe-reactie: wat een ramp, waarom moet mij dit overkomen?

 

Daar heeft Henk Lindeman allemaal geen last van. „Ik heb misschien één keer medelijden met mezelf gehad en verder dacht ik de eerste dag in het ziekenhuis al: aan de bak. Alles doen om te maken dat ik beter word. Ik heb mezelf nooit als ziek beschouwd. Wel: er is iets kapot. En ik ben de enige die daar wat aan kan doen.”

Beschadigingen rechts gaan samen met neglect en ruimtelijke stoornissen. Goed praten. Impulsiviteit. Zelfoverschatting. Gericht zijn op details. Neiging tot euforie. En weinig ziekte-inzicht.

Dat laatste heeft Henk Lindeman enorm geholpen om er weer min of meer bovenop te komen. Hij is weer gaan werken, drie dagen per week. De andere dagen moest hij uitrusten. Zijn tweede huwelijk is in stand gebleven. Pas de laatste jaren werd het werk hem te zwaar. „Mijn hersenen hebben geen overcapaciteit meer en daar komt de leeftijd nog bij.” Hij werd moe en kribbig en ging tegen alles opzien.

 

Volgende maand wordt hij afgekeurd, vierentwintig jaar na het infarct. Hij is trots dat hij het zo lang heeft volgehouden. Toen hij twee jaar geleden nog eens met de neuroloog naar een scan van zijn hersenen keek, drong pas echt tot hem door hoe ernstig de beschadiging was.

‘Ik lag in bed en opeens kom ik een vreemde hand tegen’.